Begin 70e jaren ging het niet zo goed in het district Groningen van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers. Er waren nauwelijks activiteiten en de districtstentoonstellingen stelden niet veel voor. Zo telde de districtstentoonstelling in 1975, die door de afdeling Nieuwe Pekela werd georganiseerd, maar 57 inzenders die 363 vogels in brachten. Op een gegeven moment heeft een driemanschap de leiding van het district op zich genomen en vanaf dat moment ging het gestaag de goede kant uit. De laatste tijd verloopt het ook niet zo vlotjes in het district. Het voortbestaan van de districtstentoonstelling hing aan een zijden draadje. Wellicht is het goed daarbij te bedenken dat iedere vereniging zijn pieken en dalen kent. Een van de slogans van de beroemde Pekelder Fré Meis luidde: “Niet overmoedig worden als goed gaat en niet wanhopen als het slecht gaat”.

Net zoals in de 70e jaren hebben ook nu weer een aantal mensen de schouders er onder gezet om de districtstentoonstelling van de ondergang te redden. Voor dit jaar is het in ieder geval weer geregeld. Een aankondigingsbrief vind u in deze nieuwsbrief.

In het opkrikken van de districtstentoonstellingen vanaf 1975 heeft onze afdeling overigens een flink aandeel gehad. Het aantal inzenders en vogels nam al geleidelijk aan toe, maar de grote klapper kwam in 1979 toen “De Goudvink” de organisatie op zich nam. Er waren toen drie gegadigden voor het organiseren van de districtstentoonstelling: Marum, Nieuwe Pekela en Oude Pekela. Men koos voor Oude Pekela omdat deze afdeling 10 jaar bestond. Het aantal inzenders en vogels bereikte voor die tijd ongekende aantallen, namelijk 202 en 1213. De organisatie was voor een groot deel in handen van de toenmalige voorzitter de heer A. Bruining en de toenmalige secretaris de heer F. Martena. De inzet van Fokko Martena beviel blijkbaar zo goed dat hij al snel na de tentoonstelling de opengevallen plaats van de districtspenningmeester mocht innemen. Een functie die hij daarna vele jaren vervuld heeft.

Op verzoek van Oude Pekela werden 2 artikelen aan het tentoonstellingsreglement toegevoegd: “tijdens het inbrengen en afhalen van de vogels heeft niemand zonder toestemming toegang tot de zaal” en “het is verboden tijdens de tentoonstelling kooien van de stellingen te nemen”. Die artikelen staan er tot op de dag van vandaag in. Zangkanaries werden in die tijd ook gevraagd. Weliswaar liep ook toen al de belangstelling voor die tak van vogelliefhebberij sterk terug. De zangkanaries kwamen niet alleen uit het district Groningen maar ook uit Friesland en Drenthe. Zelfs de zangkanaries van de Algemene Bond deden mee.

De tentoonstelling vond plaats in zaal Concordia. Op de plek waar eens Concordia stond, lopen nu een paar schapen het onkruid kort te houden. De opening werd verricht door de burgemeester. Iedere inzender kreeg een herinneringstegeltje. Het hele gebeuren viel zodanig in de smaak dat de afdeling Aduard zelfs een speciale brief naar het districtsbestuur schreef waarin een positieve reactie werd gegeven. Ook de Drentse inzenders van zangkanaries lieten officieel van zich horen. Ze hadden alle lof voor de inrichting van de zaal en de verzorging van de vogels. Helaas sprong “De Goudvink” er financieel gezien minder goed uit. De totale uitgaven bedroegen f 13.677,31 en daar stond maar f 12.693,90 aan inkomsten tegenover. Een nadelig saldo dus van f 983,51. Om daar enigszins aan tegemoet te komen ontving “De Goudvink” f 250 van het district en f 500 van de de Bond. Toen kon dat blijkbaar nog. Daar hoef je nu niet meer mee aan te komen.

In 1980 was de districtstentoonstelling in Marum. De deelname liep meteen terug naar 161 inzenders en 931 vogels. Maar Oude Pekela was weer in 1984 aan de beurt. En alweer een record wat betreft het aantal inzenders: 225 . Het aantal vogels kwam op 1180. Voorzitter van de tentoonstellingscommissie was de heer W. Pathuis en de secretaris nog steeds de heer F. Martena. Financieel ging het stukken beter. De inkomsten bedroegen f 11.396,20 en de uitgaven f 9.183,70. Men kon gebruikmaken van een zaal in de Snikke. Die bestaat ook al niet meer.

In 1985 lag de organisatie bij de afdeling Groningen 2. Deze afdeling wist de opgaande lijn wel vast te houden. Er kwamen 221 inzenders en 1297 vogels. De laatste jaren schommelde het aantal vogels rond de 830. Vorig jaar waren het er maar 651. Dat is ongeveer een halvering vergeleken met 1985. Hoe gaat het dit jaar worden? We kunnen hopen dat er weer eens wat meer inzenders en vogels komen, maar beter is natuurlijk niet hopen maar inzenden! Aan de locatie zal het niet liggen. Die is in alle opzichten perfect. We wensen de heren die de organisatie op zich hebben genomen veel succes.