Chris Steijvers

In het voorlaatste nummer van Vogelexpresse, het tijdschrift van de Speciaal Club Insecten- en Vruchtenetende vogels, las ik een artikel van de bekende vogelpublicist Lou Megens. De titel van het artikel is: “Cri de coeur”. Het sprak me aan en ik heb Lou Megens toestemming gevraagd om zijn artikel in onze nieuwsbrief op te nemen. Die toestemming kreeg ik onmiddellijk. Lou voegde zelfs een reeks foto’s van vitrines en volières toe waarmee hij zijn standpunt verduidelijkte. Toen vorige week vrijdag “Onze Vogels” werd bezorgd, bleek het artikel echter ook daar in te staan. Het lijkt me niet zinvol het nu nog eens in onze nieuwsbrief te plaatsen. Ieder lid ontvangt immers “Onze Vogels” en kan het daarin lezen. Maar het was ook mijn bedoeling om voor onze specifieke Oost-Groningse situatie op het artikel voort te borduren.

Allereerst een opmerking. Dat het artikel van Lou Megens mij aanspreekt, wil nog niet zeggen dat ik het op alle punten met hem eens ben. De teneur die Lou Megens aan het probleem geeft is die van een radicale omkeer. Iets dat oud en versleten is weggooien en er iets geheel nieuws voor in de plaats zetten. Ik zie geen enkele reden waarom we het oude vertrouwde niet zouden behouden. Zo versleten is het nog niet. Maar ik vind het wel noodzakelijk om daarnaast met dat nieuwe te komen. En dat wil ik hierna verduidelijken.

Het oude vertrouwde kennen we wel. Vogels in tentoonstellingskooien op stellages. Hier en daar zit een plakkertje op een kooi waarop staat dat de vogel een prijs heeft gewonnen. Een enkele vogel is getooid met een rozet. Tussen de stellages schuifelen in de middaguren twee, hooguit drie bezoekers rond. Die zijn vaak alleen maar in enkele specifieke vogelsoorten geïnteresseerd. Of het zijn bestuursleden van omringende verenigingen die plichtmatig de show bezoeken. Aan een tafel zitten een paar eigen bestuursleden zich van verveling wat flauwekul te verkopen. Tegen de tijd dat de mensen hun avondeten hebben gehad, wordt het soms wat drukker. Dan komen de verenigingsmensen voor een kop koffie, een flesje bier en natuurlijk om de laatste nieuwtjes door te nemen. Vast onderdeel is een verloting in één of andere vorm. Voor goed fatsoen koopt men een paar lootjes om de vereniging financieel te steunen. Ik heb op de tentoonstelling in Bellingwolde wel eens prijzen gewonnen die ik het jaar daarop in Pekel weer in de verloting gooide en die dan weer werden gewonnen door een bestuurslid uit Bellingwolde. Tja, het houdt ons van de straat, moet je maar denken.

Dit klinkt weliswaar allemaal negatief, maar ik heb als bestuurslid nog nooit met tegenzin aan deze gang van zaken mee gewerkt. In tegendeel, ik vermaak me wel. Maar de kardinale vraag is hoe lang dit nog stand houdt. In Groningen staan veel verenigingen aan de rand van de afgrond. Er zijn er zelfs die het bijltje er bij neer gooien. Ze stoppen met het organiseren van tentoonstellingen of  heffen zelfs de hele vereniging op. Daarbij spelen de financiën een grote rol. Onder een minimum van rond de 150 vogels

kan een tentoonstelling niet uit. En als er ieder jaar een fikse aanslag op de financiële reserves wordt gedaan, kan ieder schoolkind uitrekenen wanneer de verenigingslamp definitief uitgaat. 

Een veel gehoorde oplossing is: “Zorgen dat er meer vogels worden aangemeld.” Menig bestuurslid geeft dan het “goede” voorbeeld door zijn laatste vogel uit zijn volière te vangen en naar de show te brengen. “Ik kom met een stuk of wat vogels om echt mee te doen aan de show, de rest is opvulling en gaat na de show meteen naar de opkoper”, aldus een bestuurslid van een omringende vereniging. Maar wie heeft nu interesse in “opvulling”? De serieuze fokker zeker niet. Die gaat voorbij aan een rij met 85-punten vogels. En leken lopen ook niet warm voor grote hoeveelheden vogels die er in hun ogen allemaal precies hetzelfde uitzien. Dit soort opvulling dient nergens toe. Men kan zich hooguit op de borst roffelen omdat men meer vogels heeft dan een andere vereniging. Maar daar houdt het dan ook mee op.

Lou Megens geeft in zijn artikel aan hoe ruimte die niet wordt ingenomen door tentoonstellingsvogels wel zinvol kan worden “opgevuld”. Maar we kunnen beter de term “ingevuld” gebruiken. Van “opvulling” naar “invulling” is een positieve stap. Ik vind het daarbij van het grootste belang dat we met gebruikmaking van onze tentoonstellingen bij een nieuw soort publiek belangstelling wekken voor de vogelhobby. Daarin kan ik Lou Megens alleen maar volgen.

De vogelhobby komt in toenemende mate in een slecht daglicht te staan. Recent onderzoek wijst uit dat van de schoolkinderen tot 12 jaar slechts 20% in staat is alledaagse vogels zoals merels en mussen te herkennen. Bij volwassenen ligt dat percentage weliswaar hoger, maar het algemeen gebrek aan kennis over vogels is uiterst zorgelijk. Enerzijds staat natuurbescherming terecht volop in de publieke belangstelling, anderzijds ontbreekt het aan basiskennis over die natuur. Geen wonder dat allerlei waanideeën op dit gebied de toon aangeven. De liefhebber van kooi- en volièrevogels krijgt in toenemende mate last van deze waanideeën. Nu is het wel zo fanatici niet vatbaar zijn voor argumenten, maar het grootste deel van de mensheid is niet fanatiek en met het verstrekken van informatie kan veel bereikt worden.

Dat wekken van belangstelling voor de vogelhobby begint al bij de entree van de show. De doorgewinterde tentoonstellingsbezoeker komt binnen, koopt een catalogus en loopt meteen door naar zijn favoriete vogels. De leek komt binnen en kijkt eerst eens om zich heen. En dan is een eerste indruk van het grootste belang. Kale stellingen waarop in eindeloze rijen tentoonstellingskooitjes staan, ogen niet attractief. Bij onze eigen tentoonstelling hebben we dit eens hoofdschuddend aangezien. We zijn op het laatste moment wat kunstdennengroen gaan kopen en dat is om de voorkant van de stellingen gewikkeld. Zo’n eenvoudige ingreep zorgt al voor verbetering. Maar de hele entree moet sprekender. Daar wordt bij ons geen aandacht aan besteed en bij andere verenigingen meestal ook niet. Een gunstige uitzondering vormde de districtshow van 2016. Daar was bij binnenkomst meteen een opbouw van bloeiende planten te zien. Ook bij de Bondshow doet men dat.

Uiteraard moeten de vitrines en volières waar Lou Megens over schrijft niet ontbreken. Daarbij horen bordjes met informatie over de vogels die te zien zijn. Er zal ook meer aandacht aan kinderen moeten worden besteed. De Regionale Vogelshow Zuid-Oost Groningen wordt ieder jaar bezocht door alle groepen van de plaatselijke basisschool. Dan kom ik ogen tekort want ze zitten overal aan. Ze praten en vragen me oren van de kop. Als ze weer weg zijn, ben ik volledig uitgeteld en zak ik neer op een stoel. Maar wat geeft het een voldoening om op die manier onze liefhebberij uit te dragen!

Menig scepticus zal zich ondertussen afvragen: “Wie gaat dat allemaal betalen?” en “Wie gaat al dat werk doen?“ En dat zijn serieuze vragen. Maar er zijn ook serieuze antwoorden. Daarover een volgende keer.